Druk op enter om de resultaten te tonen of ESC om te annuleren.

Weemoedige verhalen

(een retraite in San Francisco)

I

Laatst las ik een boek van de zanger en theaterman, Gé Reinders, over het oorlogsverleden van zijn moeder. Het heet het zakdoekje, naar een borduurwerk dat zij in de kampen had gemaakt. Grada Reinders kwam terug uit de oorlog, lang na de bevrijding hier in het zuiden, eind mei 1945. Aangekomen in haar dorp is ze zich eerst gaan wassen bij familie. Ze was vuil en had houten schoenen aan. Daarna pas ging ze verder naar haar ouderlijk huis. Dat was een detail dat me opviel, want zoiets heeft mijn vader ook gedaan. Hij liet zich midden in het dorp afzetten door de militaire vrachtwagen, die hem naar huis bracht, en ging zich eerst wassen in de Swalm, het riviertje waarnaar mijn geboortedorp is genoemd.

De moeder van Gé heeft nooit over haar oorlogsverleden gesproken. Daarom is hij op zoek gegaan naar sporen in de archieven. Hij heeft samen met zijn vrouw Ravensbrück en Dachau bezocht, waar zijn moeder was geweest. Ik heb haar goed gekend en vaak alleen urenlange gesprekken met haar gevoerd, maar ook bij mij was de oorlog nooit het onderwerp. Mijn tweede moeder zei bij de gelegenheid van het verschijnen van het boek dat zij meende dat Grada wél over de oorlog heeft gesproken met mijn vader. Die heeft het wél vaak over de oorlog gehad.

Mijn vader was bijna drie jaar bij de Arbeitseinsatz in Swinemünde, een plaatsje aan de Oostzee, aan de monding van de Oder, op de grens tussen Polen en Duitsland. Vóór de oorlog was het een Duitse badplaats met een Kurhaus. Na de oorlog kwam het onder Polen te vallen, omdat de grens iets verplaatst is naar het Westen. Het heet nu Swinoujscie. Swinemünde heeft bij mijn vader het leven beheerst, zeker op de achtergrond. Het heeft ook sporen nagelaten in ons gezin. Swinemünde had altijd een magische klank bij ons. Het was méér dan het stadje waar mijn vader in de oorlog had gezeten. Het vormde een etiket voor alles wat met het bestaan zelf te maken had. Swinemünde stond in de rij van buitengewone gebeurtenissen in het leven van mijn vader, zoals de dood van zijn vrouw op jonge leeftijd, onze moeder. Swinemünde hoorde bij de feiten zoals hij het uitdrukte.

Mijn vader noemde zichzelf in de jaren na de oorlog wild. Als iemand hem iets in de weg legde had hij hem zomaar met een hamer op het hoofd kunnen slaan, zei hij soms. In gedachten, want dat heeft hij gelukkig nooit gedaan. Hij is ook nooit meer van huis gegaan. Ooit is hij eens ter gelegenheid van een bruiloft een nacht in een andere plaats overgebleven. En vaag herinner ik me een verhaal dat hij in de jaren vlak na de oorlog een keer een week ergens heen moest, naar de andere kant van de Maas, ik geloof voor het werk, en dat het hem toen weer zo overvallen was, dat hij nooit meer weg is gegaan.

Lang is de arbeidsdienst niet erkend geweest als een belangrijke oorlogservaring. Indertijd, toen de erkenning langzaam kwam, is mijn vader eens naar een instantie1 gegaan, die uitkeringen toekende vanwege de Arbeidsdienst. De instantie zélf had overigens nogal op de trom geslagen om slachtoffers zich te laten melden. Anders was hij niet eens gegaan. De uitslag van dat onderzoek was dat hij wél een echte oorlogservaring had meegemaakt, maar dat hij er niet genoeg van had geleden om een uitkering te rechtvaardigen. Wij hebben er thuis erg om moeten lachen, zij het mijn vader niet zo van harte. In mijn familie heerst een te sterke anarchistische inslag om onder de indruk te zijn van wat menselijke overheden van je vinden. Wie je bent bepaal jezelf, de mensen die je na staan, en vooral die Ene. Niettemin is het rapport van de instantie wél bij ons terecht gekomen en dat gebruik ik nu om de gegevens aan te vullen die ik verder vooral uit de verhalen van mijn vader put. Ik haal ze op uit mijn geheugen, omdat ik ze zo vaak heb gehoord. Het rapport is opgemaakt op 9 augustus 1991.

Mijn vader vertrok op achttienjarige leeftijd volgens de pas – die hij op 29 september had laten maken – op 5  oktober 19422, over de grens bij Tegelen en Kaldenkirchen en de reis duurde twee dagen. Per personentrein, schrijft de rapporteur van de uitkeringsinstantie, dus niet in een veewagen. Als ik nu in mijn huisartspraktijk mensen van die leeftijd zie, vraag ik me werkelijk af wat zij in zo’n situatie moesten beginnen. Hoe ze zich zouden redden en ook wat je op die leeftijd aan zelfstandig denken mag verwachten.

Op 7 oktober kwam hij dus in zijn eentje in Swinemünde aan. Hij werd ondergebracht in een Lager, een kamp, waar de dwangarbeiders werkten voor een scheepswerf. Het Lager bestond uit barakken. Iedere barak had zes kamers en op iedere kamer sliepen achttien personen in stapelbedden. Als matras deed een zak met houtwol dienst. Er werd 48 uur per week gewerkt. Mijn vader was gedetacheerd op een klein toeleveringsbedrijfje van de scheepswerf aan de andere kant van de rivier de Swine, waar ze grote, ijzeren platen maakten van tachtig tot honderd kilo, voor scheepsrompen, zo stel ik mij voor. Ik meen me toch te herinneren dat volgens mijn vader het werken daar niet zo zwaar was. Het kan zijn dat hij het bij die uitkeringsinstantie wat heeft aangedikt, want daar ging het vooral om zijn slechte rug. Bewaking bestond er niet veel, want de afstand naar huis was te groot om te voet te vluchten en reizen met openbaar vervoer zonder verlofpas door heel Duitsland heen was ondenkbaar. Je zou zeker worden gepakt.

Een pijnlijke ervaring voor hem door de jaren heen was dat mensen van de Arbeidsdienst zeiden dat je het dan niet zo erg had gehad. Of ook dat een enkeling hem vroeg waarom hij eigenlijk niet was ondergedoken. De Duitsers kwamen in de fabriek waar hij werkte kijken wie ze mee konden nemen. Ze waren dan vooral uit op jonge, ongetrouwde mannen. Op die nauwelijks verholen verwijten zei hij dan dat in het kleine huis waar hij met zijn twee broers en vader en moeder in woonde te weinig mogelijkheden waren om zich te verstoppen. Bovendien zou er dan ook niet genoeg te eten zijn wegens gebrek aan bonkaarten.

Hij is zelfs na een maand of negen nog eens op verlof gekomen en terug gegaan. Je komt toch in de verleiding dat onbegrijpelijk te vinden. Maar het kwam omdat mijn ome Hein, zijn oudere broer, die toen juist ook op verlof was uit Essen, niet van plan was om zich weer te melden, zo staat het in het rapport. In de familie wordt het onderduiken van ome Hein echter net iets anders verteld. Mijn oom had er een keer schoon genoeg van en hij liep gewoon terug naar huis. Dat zal zo’n dag lopen zijn geweest, want Essen in het Ruhrgebied is dichtbij.

Dat mijn vader nog eens is teruggegaan kan ook misschien hierdoor worden verklaard dat in het begin het gevaar werd onderschat, hoewel ik me dat nu weer bij mijn oma niet kan voorstellen. Die was Duitse en had haar eerste man op de slagvelden van Noord-Frankrijk verloren. Daar zei de pers toen ook al van dat het een Schützenfest was waar haar man naar toe ging, zo zeker waren ze van de overwinning. Op het laatste verlof voordat hij sneuvelde had hij haar nog verteld dat het geen Schützenfest was.

Toen mijn vader vertrok, leek het ook nog wel rustig te zijn. Ik heb hem nooit horen vertellen, dat ze in het begin erge ontberingen moesten lijden. Etenspakketjes van thuis werden gestuurd. Dit is een bedankbrief aan tante Marie, de verloofde van ome Hein, die hij schreef op 30 oktober 1942 … ik heb met blijdschap uw pakje ontvangen. Het is voor ons een genot als men hier een pakje ontvangt, net zoo als in Holland Sint Nikolaas heeft gereden. Het pakje is goed hier in Swinemünde aangekomen, en het heeft ook nog vlug gerijst. Het is negen dagen onder weg gebleven, en het was nog allemaal goed vers behalve de kaas was een beetje uitgeslagen. De inhoud was als volg een mik een stuk kaas een doos honing ’n zakje suikerklondjes twee rollen pepermund twee appellen vier koekjes een doosje boter. Dus uw weet nu of het klopt zoo. Ik heb de spelling maar zo gelaten. Hij had een Duitse moeder en ze spraken thuis Limburgs. Hij was pas op zesjarige leeftijd naar Nederland geëmigreerd vanuit Brüggen, vlak over de grens tien kilometer verderop, naar Swalmen. Daar kwam mijn grootvader namelijk vandaan en die wilde graag terug.

Er is zelfs nog een foto, gemaakt door een fotograaf in Swinemünde, waar mijn vader op staat in een net pak naast een witte stoel. Hij houdt zijn rechterhand op de rugleuning. Een traditionele portretfoto dus. Of die nu gemaakt is om het thuisfront gerust te stellen of dat hij werkelijk dacht dat het allemaal zo’n kwaad niet kon? Ik denk beide. Hij stuurde bijvoorbeeld naar zijn broer in Essen een postkaart met daarop het Kurhaus van Swinemünde. Ook heeft hij, meen ik, eens in die rustiger tijd Goering of Himmler gezien toen één van beiden op bezoek was in Swinemünde. Dat was iets bijzonders en zo vertelde hij het ook. Ik heb niet het idee dat mijn vader als achttien -, negentienjarige, bijvoorbeeld in 1943, veel besef had van wat er gaande was in de wereld.

In ieder geval was mijn oom tijdens het verlof van mijn vader dus thuis en mijn vader besloot daarom toen nog een half jaar naar Swinemünde terug te gaan en dan bij het volgende verlof onder te duiken. Twee werknemers ineens weg zou wellicht te veel de aandacht trekken. Dat verlof had dan plaats met Kerstmis 1943. Nog iets anders was, dat dwangarbeiders voor elkaar moesten tekenen. Als de ene niet terugkwam werd van de andere het verlof voor twee jaar ingetrokken. Met iemand uit Den Haag die een gezin had kreeg mijn vader tegelijk verlof en hij heeft hem toen vóór laten gaan. Hij was wel benauwd geweest dat die ander thuis zou blijven, maar hij kwam toch terug. Op 14 januari 1944 schrijft hij aan Marie … maar efin, het mag hem niet hinderen, maar de volgende maand maak ik toch weer een kans om met verlof te gaan. Het zijn maar tien dagen, maar toch verlangd m’n er naar. En m’n moet nu toch weer terug, want als ik niet terug kom moet die bij me werkt twee jaar hier blijven. Aanvang 1944 werden echter alle verloven ingetrokken wegens toename van de oorlogshandelingen. Daardoor kon niemand meer uit Swinemünde weg.3 En na D-day zou er geen enkel contact meer mogelijk zijn.

Als er in Swinemünde oostenwind waaide met wolken dacht hij wel eens dat die wolken misschien later ook over Swalmen zouden komen. Hij schrijft aan Marie … ik zit hier 1200 kilometer van huis en dan weet je dat het plezier weg is en ik hoor niet veel meer over het schoone Swalmen of als Hein me af en toe een beetje schrijft en je (doorgehaald) uw weet wel dat, dat ook niet veel kan zijn want let op met schreiven. Maar we zullen maar hopen op het snelle einde, als we ons weer eens op de schoone Heide ( een buurt van Swalmen, wb) terugzien. Maar als ze nu thuis nog maar goede moet hebben gaad de tijd wel gemakkelijk om. Ik houd de moet er wel in, want ik ben met goede moet vertrokken, en ’t is te hopen dat ik met goede moet en gezondheid terug zal komen. Nu moet ik maar uit schijden want ’t is al ‘s avond 10 uur en ik heb slaap.

Op 23 november 1943 schrijft hij aan tante Marie … want later zal ik toch wel vertellen hoe het hier uit ziet. Heel anders als op de Hei. Hier zie ik nog wat van de werelt. Maar ik ben nergens liever dan op de schone Heide. Op 14 januari 1944 … het geeft niet waar m’n hier werk of staad, altijd gaan de gedachten maar naar huis. En als we ’s morgens opstaan, dan zegt de een en ander, jongens van nagcht ben ik weer met verlof geweest. Waar ik weer gouw naar zal terug keren.

Een deel van zijn lijden is heimwee geweest. Een man uit Hoorn, Nico Hoogland, die getrouwd is in Tegelen en die ik goed ken, kwam er bij de overlijdensadvertentie achter dat hij met mijn vader in Swinemünde was geweest. Hij vertelde, dat hij hem soms zwaarmoedig vond kijken. Toen ik op dezelfde leeftijd voor een jaar naar Amerika ging zei hij vaker … jij gaat omdat je dat zelf wil, maar ik moest. Dat viel toen overigens niet zo goed bij mij, want in de weken vóór de reis vroeg ik mij in stilte en met grote onzekerheid af waar ik eigenlijk aan begonnen was.

Ook in het begin echter was mijn vader wel beducht voor gevaar. Hij waarschuwt zijn familie dus … let op met schrijven … en op een kaart bij de jaarwisseling van 1942 staat er geen zalig Kerstmis, maar alleen een gelukkig Nieuwjaar. Hij had blijkbaar het idee dat de censor niets moest hebben van christelijke feestdagen. Dan gaat het nog best met mij en ook zeer goed gezond, wat ik ook van uw nog (doorgehaald) hoop. Dan moet ik maar getroosten dat ik met die schone feesten hier moet zitten. Dan wens ik uw allen een Gelukkig Nieuwjaar. Tot weer ziens. Joep. Dit past bij het idee, dat in onze jeugd hardnekkig de ronde deed, dat Adolf Hitler na de Joden aan de katholieken had willen beginnen.

We hebben thuis nog ingelijste panoramische foto’s van het idyllische badplaatsje aan de Oostzee. Die heeft mijn vader blijkbaar in rollen meegebracht op dat ene verlof. De dwangarbeiders konden vrij door de stad gaan en ze maakten bijvoorbeeld houten speelgoed voor kinderen om wat bij te verdienen. En dat verkochten ze dan in de stad en in de omgeving. Zo heeft hij waarschijnlijk een familie leren kennen, een vader en moeder, opa en oma en kinderen. Dat was op Lodzenstrasse vierzehn. Dit adres is bij ons vaak gevallen en het vormde – in het Duits uitgesproken – net zo’n begrip als het woord Swinemünde zelf. Het was een thuis voor hem geworden. Mijn broer Jan heeft het nog weten te lokaliseren4, het adres wel te verstaan, want van het oude Swinemünde van vóór de oorlog is niets meer over.

Mijn vader vertelde vaker over de drie Russische vriendinnen die hij had gehad. Die waren eveneens in de arbeidsdienst, neem ik aan, zoals er ook zoveel in onze streek vlak over de grens in Duitsland zijn geweest. Menigeen is naar Nederland gekomen en hier getrouwd. Sommigen hebben hun familie nooit meer gezien. Anderen zijn met de ontspanning na de koude oorlog nog vaker terug geweest, beladen met goederen uit het rijke Westen. Mijn vader noemde ook altijd de namen van de vriendinnen, maar die ben ik vergeten. Loebotsjka, heette er eentje geloof ik, of is dat liefje? Mijn moeder heeft de foto’s die hij blijkbaar nog had van die drie verscheurd, al in de vijftiger jaren, want ik heb ze nooit gezien. Hij had er nog enkele Russische woorden aan over gehouden, zoals spaciba, dank je wel, en do svidanja, tot wederziens, maar ook een frase die mijn broer eens in zijn winkel op Russen heeft uitgeprobeerd. Die hebben toen zonder veel commentaar en zonder iets te kopen de winkel verlaten.

II

In de loop van 1944 werd de situatie steeds slechter. Het zal begonnen zijn met het besef eind januari, dat hij echt niet meer naar huis kon. Maar ook de lichamelijke ontberingen werden toen langzaamaan groter. Pakketjes van thuis kwamen niet meer door. Eten was er in Swinemünde niet meer. In het Lager kregen ze per week een kilo Kuch, een soort zuur Duits brood, en 1/8 deel van een pakje margarine. En ook af en toe wat waterachtige soep waar geen niets in zat. Soms werd een poes geslacht of een ziek en kreupel paard. Ook stalen ze eten van het land. Aan het einde van 1944 was hij geheel uitgemergeld en leed hij voortdurend honger, zo meldt hij aan de instantie.

Hij vertelde ons ook vaker over bombardementen en ik heb lang niet geweten hoe dat historisch te plaatsen was. Maar het moet gegaan zijn over het grote bombardement op Swinemünde op 12 maart 1945. Vroeger hadden wij als kinderen het idee dat er in oorlogen voortdurend bommen vielen, maar achteraf heeft mijn vader het altijd gehad over dat ene bombardement. Vaker kwam er wel luchtalarm voor, maar het was nooit tot een bombardement gekomen. Dat heeft menigeen wel parten gespeeld, toen het die keer menens was. Sommigen kwamen te laat in de schuilkelder.

Het bombardement op Swinemünde was één van die morale bombings, bombardementen om het moreel te breken, zoals dat van Dresden. Waar lang niet over gesproken is. Dat van Swinemünde is helemaal in de vergetelheid geraakt, tot in de recente tijd, vooral, denk ik, omdat het stadje niet meer als Duitse plaats bestaat. Een bombardement op klaarlichte dag door de Amerikanen met duizenden bommen. Het heeft vijf kwartier geduurd en het begon om vijf minuten over twaalf in de middag. Erna was er niets meer van Swinemünde over. In het stadje lagen 23.000 lijken volgens de officiële cijfers, méér dan er vóór de oorlog inwoners waren, want er bevonden zich in die tijd tegen het einde van de oorlog veel vluchtelingen in de stad, vooral Duitsers uit Oost-Pruisen, en de haven lag vol schepen.

Mijn vader stak na het bombardement de Swine over om naar het Lager te gaan. In de rivier dreven de spullen van vluchtelingen die in een schip gezeten hadden, dat vóór en achter door voltreffers was geraakt. Van het Lager was niet veel meer over en menig van zijn collega’s had geen geluk gehad. Velen heeft hij dood of zwaargewond en bloedend teruggezien. Op het internet vond ik nog de naam van een Nederlander, Pieter Honkoop, die daar is omgekomen en die ook werkte bij de scheepswerf van Ernst Bürmeister. Nico Hoogland vertelde me laatst nog dat hij het had overleefd, omdat hij op de scheepswerf werkte toen het gebeurde. Daar kon hij in de schuilkelder. Ook kwam mijn vader uit bij de marinekazerne. In de kelder lagen talloze gewonden en uiteengereten lijken. Hetgeen aanvrager toen heeft gezien, heeft een afschuwelijke indruk op hem gemaakt en is voor altijd in zijn bewustzijn gegrift … meldt de rapporteur. De gewonden konden in Swinemünde niet meer worden verzorgd en werden naar elders gebracht. De doden zijn in een massagraf begraven.

Als ze een fluitend geluid maakten dan waren ze veraf en zouden ze niet dicht bij je inslaan, maar als een brommend en dreunend geluid maakten waren ze dichtbij, zo vertelde mijn vader ons. Wij als kinderen dachten dus dat het de hele oorlog zo was gegaan. Dat oorlogen nu eenmaal zo gingen en dat dagelijks vallende bommen erbij hoorden en dat je door ervaring kon weten of ze dichtbij of veraf zouden inslaan. Mijn vader heeft het bombardement overleefd in de schuilkelder van het bedrijfje waar hij werkte.5 Het was een kleine, eigen schuilkelder achter de werkplaats.

Om de mensen op de Lodzenstrasse 14 te kunnen opzoeken moest hij langs de puinhopen van het bombardement. En enkele dagen later wilde hij weten hoe de familie het er van af had gebracht. Het was streng verboden te plunderen en iemand die van de weg af ging werd als plunderaar beschouwd. Er stond de doodstraf op. Toen hij onderweg was naar die mensen kwam hij langs een schoolplein. Daar waren verschillende mensen opgehangen. Men had ze daar aan de strop gelaten als afschrikwekkend voorbeeld. Als hij erover sprak noemde hij altijd nog eens apart een vrouw, die daar had gehangen. En dit stuk van het verhaal kwam ook pas laat op de avond, want zijn verhalen over de oorlog hadden een ritme. Een soort ritueel was het. Op een bepaald voorbestemd punt, zo leek het wel, kwam het ene, op een ander punt kwam het andere, toenemend in verschrikkelijkheid. Soms ontlokte dit aan ons kreten als … dat weten we al. En dat ritme was meestal ook wel af te lezen aan de vloeistofspiegel in de fles Vieux die er altijd aan te pas kwam, want anders kon hij niet over de oorlog praten.

Dat tafereel op het schoolplein moet hem erg geschokt hebben. Daarna kwam hij op Lodzenstrasse 14. Daar was ook niets meer van over. Hij trof zittend op de puinhopen van het huis de vader. De rest was dood, zijn vrouw, ouders en kinderen. Mijn vader was naar hem toegelopen en had het verhaal aangehoord. Vervolgens werd hij gezien door militairen. Die kwamen naar hem toe om hem op te pakken, omdat hij van de weg af was gegaan. De vader was daarop ontbrand in een een soort oerrazernij, zó buitenwerelds van toon in het aanschijn van van zo’n feit, – grausam was het Duitse woord dat mijn vader midden in een Nederlandse zin voor zoiets bezigde – dat de soldaten bang van hem waren geworden en mijn vader lieten gaan. En als hij het verhaal weer eens vertelde eindigde het altijd met – en dat was steevast op het allerlaatste, als de Vieux op was –  … en later heb ik gehoord dat hij drie dagen daarna de Oostzee in is gelopen. Dit verhaal komt in de stukken van de uitkeringsinstantie niet voor. Dat kon hij niet zomaar in een kantoor op klaarlichte dag vertellen.

 

III

Mijn vader is nog tot begin april in Swinemünde gebleven en hij heeft daar zo goed en zo kwaad als het ging proberen te overleven. Hij is door de Russen bevrijd en toen dat eenmaal was gebeurd, begon zijn terugtocht naar huis. Het verhaal dat hij altijd aan ons vertelde was geografisch wat simpeler dan uit het stuk van de uitkeringsinstantie blijkt.

Hij had de keus om met een schip naar huis te gaan, dat van de haven van Swinemünde vertrok, of over land. Vrienden drongen er bij hem op aan met een schip mee te gaan, maar hij heeft voor het land gekozen, omdat het eerste hem te onzeker leek. Er deden verhalen de ronde dat schepen tot zinken waren gebracht. Overlevenden van één zo’n schip, de Wilhem Gustloff, vergaan in de buurt van Dantzig, het huidige Gdansk, waren tijdens het bombardement in Swinemünde en kwamen daar alsnog aan hun einde. Hij vertelde ook dat veel van de gewonden uit Swinemünde naar Dresden waren gebracht en daar vervolgens omkwamen bij de bombardementen. Dit lijkt niet te kloppen, want het grote bombardement op Dresden is eerder geweest dan dat op Swinemünde. Nico Hoogland opperde de mogelijkheid dat Dresden misschien ook later nog is gebombardeerd. Hoogland zelf is in ieder geval met een schip gegaan, dat hem zonder veel problemen naar Kiel bracht.

Tot ongeveer drie weken na het bombardement is mijn vader dus nog in Swinemünde gebleven. Bij het bombardement waren de Russen al dichtbij, maar toen ze verder naderden moesten de dwangarbeiders van de Duitsers lopen naar Greifswald. Dat ligt ongeveer zeventig kilometer verderop naar het Westen. Het was een groot, internationaal gezelschap met onder meer Russen en Fransen. Daar aangekomen bleek Greifswald ook al omsingeld te zijn door de Russen. De Duitsers die hen bewaakten hebben toen de wapens weggegooid en zijn gevlucht, terwijl de dwangarbeiders daar door de Russen werden bevrijd. Die voerden ze weer 120 kilometer terug naar het Oosten, naar Stettin, het huidige Poolse Szczecin. De Russen hadden zelf nauwelijks te eten en de dwangarbeiders moesten voor eten zorgen door te bedelen en van het land te stelen. Na Stettin ging het naar Prenzlau en vandaar naar Bernau waar een woonwijk werd ontruimd voor de dwangarbeiders. Ze zijn daar drie dagen gebleven.

In de verhalen aan ons sprak mijn vader er altijd over dat hij van Stettin naar Berlijn gelopen was. Die tussenliggende plaatsen noemde hij niet geregeld, wél dat hij in Greifswald door de Russen was bevrijd. Hoe lang hij erover gelopen heeft weet ik niet meer, maar hij noemde vaak de afstand, 240 kilometer, en dat klopt precies met Google maps te voet. Hij overnachtte op boerderijen. Daar was hij zeer welkom, omdat de Duitsers erg bang waren voor de Russen. Er deden de gruwelijkste verhalen de ronde, vooral over de Mongolen, die op fietsen zouden komen. En blijkbaar had hij papieren die aantoonden dat hij geen Duitser was. Dat betekende een zekere bescherming. Hij vertelde vaker dat hij in plaats van de bewoners aan de deur ging, als er soldaten aanklopten. De Russen hadden een heilige ontzag voor papieren.

Hij liep dus naar Berlijn, waarschijnlijk in een groep, en wat hij daar altijd van vertelde is dat hij terecht kwam in het bevrijde concentratiekamp Oraniënburg, waar hij een kerkdienst bijwoonde. Op 21 april is Berlijn bevrijd. Adolf Hitler pleegde op 30 april zelfmoord. Dus ik neem aan dat mijn vader zo begin mei in Berlijn is geweest. Daarna ging het gemotoriseerd verder naar de plaats aan de Elbe waar de overdracht aan de westelijke geallieerden plaats vond. Dat was in Dessau. De groep was ondertussen geslonken tot zo’n tachtig personen, omdat ze niet allemaal naar het Westen moesten, neem ik aan. Ze werden in Dessau in een groot weiland ondergebracht. Toen het gerucht ging dat er in de buurt tyfus uitgebroken was, zijn de dwangarbeiders drie dagen lang de bossen in gevlucht. De Russen lieten ze ook in de steek, maar na die tijd werden ze weer door hen verzameld. Aan de oevers van de Elbe zijn ze geruild voor een groep Russische voormalige gevangenen. Aan de andere kant van de Elbe werden ze door de Amerikanen overgenomen. Ze kregen wat te eten en zijn ontluisd, hoewel dat door de Russen ook al eens was gebeurd.

Omdat in Duitsland alles plat lag moest hij naar huis via een zuidelijke route, zoals ook de moeder van Gé. Dit ging nu wel in veewagons. Die voerde hem langs München, uit de buurt waarvan ook zij haar terugtocht begon. Verder ging de reis per trein door Noord-Frankrijk – hij noemde altijd Metz – en door Luxemburg. In Luxemburg hadden ze allemaal de trein moeten aanduwen, omdat die een berg niet opkwam. Dat ze die trein hadden moeten aanduwen, dat maakte indruk op ons, want je duwt niet iedere dag een trein aan.

Mijn vader is lange tijd dood gewaand. Eens was er namelijk thuis een bericht van die strekking doorgedrongen. Sinds de inval in Normandië was er in ieder geval geen contact meer geweest. Dat was toen hij uiteindelijk terug kwam op 6 juni 1945 dus precies een jaar eerder. Hoe dat nu met dat bericht zat weet ik niet, maar uit onze streek zijn er nogal wat jonge mannen in Swinemünde geweest. Misschien is het van één van hen gekomen, want een groep is ook buiten Swinemünde te werk gesteld in een plaats verder naar het Westen, ik meen in Peenemünde. Misschien hebben ze wel gedacht dat iedereen die in Swinemünde was achtergebleven bij het bombardement was omgekomen.

Hij kwam thuis drie dagen vóór zijn eenentwintigste verjaardag, want zijn displaced persons kaart is gedateerd in Sittard op 6 juni, zo’n drie maanden na het bombardement op Swinemünde. En diezelfde dag nog, een woensdag, is hij thuis gekomen. Het begrip displaced persons kaart heb ik pas leren kennen uit het boek van Gé. En die van mijn vader bleek ik bij zijn oude passen te hebben. Er stonden ook zijn bezittingen op vermeld en dat waren alleen de kleren die hij aan had. Van Sittard uit is hij naar huis gelift. Ik meen dat hij altijd vertelde dat het een militaire vrachtwagen was. Midden in Swalmen ter hoogte van de kerk heeft hij zich laten afzetten. Dat had ook voor de deur kunnen zijn geweest, want wij wonen twee kilometer verderop aan dezelfde rijksweg. Hij is toen een paar honderd meter verder gelopen naar het punt waar de Swalm onder de rijksweg door loopt. Wat lager, rechts van de weg, aan de linkeroever van het riviertje, is hij zich gaan wassen. Ik moet er nog vaak aan denken als ik er voorbij kom. Hij zal zich er ook wel zijn gaan wassen om een ogenblik in zijn eentje te denken aan wat hij thuis zou aantreffen, want ook hij had immers een jaar niets gehoord.

Toen hij daarmee bezig was kwam een oude schoolgenoot voorbij op de fiets, boven over de brug. Die herkende hem onmiddellijk, maar ging zonder iets te zeggen meteen in de trappers staan en fietste in volle vaart dóór. Toen hij klaar was met zich te wassen is mijn vader weer gaan lopen. Een eindje verder zag hij van een afstand ter hoogte van Funda, een kruidenierswinkel die ik ook nog heb gekend, aan de andere kant van de weg met de fiets zijn eigen vader aankomen. Toen die dicht genoeg in de buurt gekomen was om hem te herkennen draaide ook die zich om en fietste aan de verkeerde kant van de weg zonder iets te zeggen of te roepen naar huis terug alsof de duivel hem op de hielen zat. Blijkbaar was die jongen het thuis gaan zeggen, dat mijn vader eraan kwam.

En daar eindigt het verhaal. Vóór de werkelijke thuiskomst stopt het. Hoe die gegaan is kan ik niet meer nagaan, want de vijf dramatis personae zijn er niet meer. En we zijn ook nooit op het idee gekomen het te vragen. Of ze allemaal aan de weg stonden, of zo. Het volgende beeld in de verhalen is pas dat hij zich ’s avonds aan de pomp stond te wassen en dat ze hem steels vanuit het deurgat bekeken, of er niets was geweest in de oorlog. Mijn vader grinnikte daar dan altijd een beetje bij. Zo van … maak je dat ook nog mee. Wat ik daar dan uit afleid is dat zijn ouders misschien bang waren dat er iets op zijn huid te zien was en wie weet wat dat dan kon betekenen in hun gedachten.

IV

Swinemünde is door het bombardement van de aardbodem verdwenen6 en de geallieerden hebben na de oorlog besloten dat het niet meer Duits was en als een nieuwe Poolse plaats verder zou gaan. De Duitsers die er nog woonden zijn allemaal in de winter van 1945 -1946 verdreven of vermoord. Een getal van 30.000 in de hele streek wordt genoemd. Swinemünde is dus inderdaad verdwenen, de bewoners ervan, de herinnering eraan. Er zijn geen slachtoffers als groep. Alleen individuele weemoedige verhalen van mensen die elkaar sindsdien nooit meer hebben ontmoet. Zeker woont haast niemand van toen er nu meer.

Slechts de massabegraafplaats, het Golm, aan de Duitse kant van de grens met het beeld van de treurende moeder herinnert nog aan zijn bestaan in het verleden, en wat vergeelde ansichtkaarten van het oude Swine